Pagina's

05-10-13

GR 653: Via Tolosana: Montpellier - Le Rialet en GR 36: Le Rialet - Ambialet-Saint-Cirgue


 

Situering

Na mijn ervaringen van de vorige jaren op twee Sint-Jacobswegen wil ik er een volgende aan toevoegen en ik kies voor de Via Tolosana: de weg die vanuit Arles naar Toulouse loopt en vandaar via de Col du Somport naar Puente de la Reina in Spanje. Deze route wordt ook de “Chemin d’Arles” genoemd en is bovendien de route die van oudsher, in de omgekeerde richting, werd gebruikt door bedevaarders naar Rome.

Anderzijds is het niet mijn bedoeling om noodzakelijkerwijze een lang stuk van de pelgrimsweg af te leggen: ik kies ook voor een tocht door een mooie en interessante streek. Na gedurende enkele winteravonden de kaart te hebben bestudeerd kom ik tot een interessante keuze: ik zal een stukje Via Tolosana combineren met een stuk van de GR 36 die mij naar Albi zal leiden. Op die manier kan ik eindelijk eens een bezoek brengen aan de stad die zo verbonden is met de geschiedenis van de Katharen, een geschiedenis die sinds enkele jaren ook een leidraad is geweest voor mijn trektochten. En zo maak ik ook een eigenzinnige keuze: een verbinding tussen de pelgrimsweg naar Compostela, historisch sterk gepropageerd door de Roomse Kerk, en de stad waar dezelfde Roomse Kerk, in dezelfde periode, haar overwinning op de “ketterse” Katharen-Albigenzen zo tastbaar heeft geïllustreerd. Ik vraag me nog steeds af of er historisch onderzoek bestaat naar de verhouding tussen deze twee fenomenen.

Concreet heb ik gekozen voor een traject vanuit Montpellier, over de GR 653, tot de kruising met de GR 36 nabij Le Rialet en vanaf daar heb ik deze GR 36 gevolgd tot Ambialet-Saint-Cirgue; het was mijn bedoeling om tot Albi te stappen (nog een 30-tal kilometer verder), maar dit is me niet gelukt zoals zal blijken uit mijn verslag.

Ik heb 16 dagen gestapt en ongeveer 336 kilometer afgelegd.

Woensdag 22 mei 2013: Gent – Montpellier

In afwachting van het vertrek van mijn trein vanuit Brussel-Zuid ga ik nog een koffie drinken. Op de muur van het cafetaria lees ik de volgende tekst (vrij vertaald uit het Frans): “Ik houd niet van wandklokken: ze herinneren mij aan het leven dat voorbij is. Ik houd niet van polshorloges: ze vechten met mijn hartslag.” Een geschikte tekst om de knop om te draaien, van het alledaagse leven naar het leven van de reiziger…

Maar ik houd toch nog even de klok in het oog en stap tijdig op de TGV naar Montpellier die stipt om 10.17 u vertrekt.

Er is nog niet veel volk op de trein en dus is er ook nog voldoende ruimte voor de bagage; mijn (iets minder grote) rugzak past zelfs in het bagagerek boven mijn hoofd. In Brussel is de lucht nog onheilspellend grijs en donker. Ergens in het niemandsland tussen Halle en Lille komt er blauw in de lucht; na Lille en Paris-Charles-de-Gaulle doet de zon de knalgele koolzaadvelden fel oplichten. Zou het toch nog zomer worden? Helaas… boven het groen golvende Bourgogne overheersen terug de donker dreigende wolken.

14.06 u Lyon: heel wat passagiers stappen uit, anderen stappen op. Waar straks nog twee ernstige zakenlieden zaten komt nu een ouder, volks uitziend Frans koppel zitten. De vrouw haalt een groot pain de campagne uit haar tas, de man snijdt het met zijn zakmes in stevige stukken en deze worden gretig verorberd met enkele plakken hesp en sneetjes saucisson.

Vanaf Valence verandert het weer terug: er komt meer blauw en zon in de lucht. Ook het landschap is stilaan gewijzigd: een kalksteenachtige bodem, meer lage begroeiïng en de eerste wijngaarden, la Méditerranée se fait sentir! Bij aankomst in Montpellier, omstreeks 16.00 u, is de hemel blauw en schijnt de zon, maar er staat wel een stevige wind.

Station Montpellier-Saint-Roch
 
Ik ga te voet via het Office du Tourisme, waar ik een stadsplan haal, naar de jeugdherberg. Ik moet wel nog een lidkaart kopen (11 euro, maar gezien een geplande reis naar Noorwegen is dit interessant) en ik betaal 20,90 euro voor overnachting en ontbijt. De jeugdherberg is eenvoudig ingericht, maar alle noodzakelijk comfort is aanwezig, ondermeer ruime kamer (8 bedden waarvan uiteindelijk 4 bezet).

Daarna ga ik de stad verkennen. Montpellier is een gezellige universiteitsstad met de oudste medische faculteit in de Westerse wereld, veel pleintjes, straatjes, winkeltjes en restaurantjes. Ik wil nog de Eglise Saint-Roch bezoeken, maar daarvoor kom ik net te laat: de gardien van dienst is niet echt toeschietelijk en duwt de deur letterlijk voor mijn neus dicht. Ik had nochtans de bescherming van Sint-Rochus willen afsmeken voor mijn tocht, want hij is de beschermheilige van de pestlijders en wordt vaak afgebeeld als Sint-Jacobspelgrim, maar ik doe dit dan maar aan de buitenkant van de kerk.



 

 
 
Eglise Saint-Roch



Ik besluit mijn avond met een voortreffelijk etentje (prijs/kwaliteit) in de Bistrot d’Alco (rue Bonnier d’Alco) en een wandeling naar de jeugdherberg. Conclusie: aangename stad waarvan het centrum best te voet kan worden afgewandeld, zeker met mooi weer…

Donderdag 23 mei: Montpellier – Montarnaud (14,5 km) 

Na een rustige nacht en ontbijt in de jeugdherberg besluit ik nog een kleine stadswandeling te doen alvorens mijn eigenlijke tocht aan te vatten. Het geplande traject van vandaag is eerder kort en zeker niet zwaar.
Ik wil de cathédrale Saint-Pierre bezoeken, maar deze opent pas om 9.30 u, dus ga ik eerst nog de Faculté de Médecine bekijken die, als voormalig klooster, aansluit bij de kathedraal. De kathedraal is vroeg-gothisch, met een grote middenbeuk en enkel kleine zijkapellen. Eén van deze kapellen is gewijd aan Sint-Rochus, als pelgrim afgebeeld, zodat ik toch nog zijn bescherming kan afsmeken. Er ligt trouwens een kant-en-klare gebedstekst bij de kapel om als pelgrim bescherming te vragen tegen alle geestelijke en lichamelijke kwalen onderweg…


Cathédrale Saint-Pierre


Sint-Rochus als pelgrim
 

Daarna ga ik naar een tramhalte van Lijn 1 waar al snel een comfortabele tram mij naar Euromédecine voert (een 15-tal minuten): de medische faculteit en de hospitalen zijn duidelijk belangrijk voor Montpellier; verder heb ik ook verschillende instellingen voor dans- en muziekopleiding gezien. Dankzij het tramtraject vermijd ik een weinig interessante wandeling van ongeveer 8 kilometer door de agglomeratie.
Tramhalte Euromédecine


Ik start mijn voettocht effectief omstreeks 10.30 u en wandel meteen door een minder bebouwde buurt in een semi-residentiële wijk, ook nog door een stukje natuur, naar Grabels. Onderweg ontmoet ik een Oostenrijker die ook richting Montarnaud stapt en blijkbaar in dezelfde gîte als ik heeft gereserveerd.



Kerk van Grabels

Na Grabels kom ik stilaan in meer open landschap en af en toe gaat het even omhoog en omlaag. Ik wandel vooral door lage begroeiïng (garrigue), langs stenige paden, met weidse uitzichten vanop het plateau. Ik passeer nog een Frans koppel uit Duinkerken die ook naar Montarnaud (zelfde gîte) stappen. Even verder, bij een omgevallen wegwijzerpaaltje, maak ik blijkbaar een verkeerde keuze en zie ik geen GR-tekens meer. De Fransen volgen mij op een 100-tal meter… Na wat zoeken vlakbij een karting-circuit (volgens de topogids ligt de juiste weg “onder” het circuit) vinden we het pad terug, richting Belair. Dit laatste is enkel een kruispunt van twee verkeerswegen en ik stap nog even verder tot ik, door de garrigue beschut tegen de wind, mijn picknick-pauze neem. 



Na nog een stukje garrigue kom ik tussen weiden waarin heel wat paarden van verschillende rassen grazen: er is hier een grote paardenfokkerij. En daarna gaat het opnieuw tussen garrigue en wijngaarden, op en neer, tot het dorp Montarnaud in zicht komt. Nadat ik een nieuwbouwwijk in aanbouw (we bevinden ons nog in de ruime agglomeratie van Montpellier) heb doorkruist bereik ik het charmante dorp, met een kerk en een kapel in het centrum en een kasteel hoger op de helling.
Montarnaud

Dankzij de nodige bewegwijzering arriveer ik een kwartier later, rond 15.00 u, in de Chambres-d’Hôtes “Le Temps d’une Pause”: een mooi huis met bijgebouw in een zeer ruime tuin, met zicht op de heuvels en de wijngaarden. Cathy Froge zorgt voor een vriendelijke ontvangst, maar is zeer strikt met voorzorgsmaatregelen tegen bedwantsen (punaises de lit): rugzak niet op de kamer en we slapen in versgewassen beddengoed, niet in de eigen slaapzak!

 


Le Temps d'une Pause...


Na een deugddoende douche en een verpozing-met-biertje in de tuin ga ik met Pierre en Cécile (het koppel uit Duinkerken) en Robert (de Oostenrijker uit Wenen) eten in het dorp. Het ene restaurant is gesloten, het andere opent pas om 20.00 u, dus wordt het een voortreffelijke pizza in de snackbar. De gesprekken gaan over de camino (waar zowel Pierre en Cécile als Robert de nodige ervaring hebben), maar verder ook over politiek in Oostenrijk, Frankrijk en België. Na de wandeling terug naar de gîte heeft iedereen blijkbaar behoefte aan een bed en omstreeks 21.30 u doven Robert en ik de lichten in onze kamer.
Prijs overnachting en ontbijt: 24 euro.

Vrijdag 24 mei: Montarnaud – Saint-Guilhem-le-Désert (22 km)

We staan op rond 6.45 u: de zon schijnt. Om 7.30 u zitten we aan de ontbijttafel met Cathy: er is brood, kaas, hesp, confituur in 4 soorten, yoghurt, gedroogde en verse vruchten… Kortom: complet, en nog aangevuld met een gezellige babbel. We worden ook verwittigd voor de bedwantsen die blijbaar serieus oprukken in de gîtes: Robert en ik kopen een spuitbus voor onderweg, Pierre en Cécile hebben ze reeds. De “Gîte de la Tour” in Saint-Guilhem waar ik heb gereserveerd voor vanavond krijgt wat dit betreft een eerder negatieve kwotering van Cathy; de anderen hebben gereserveerd bij de zusters van de Carmel, maar ik behoud mijn keuze: gewapend met de spuitbus voel ik mij voldoende veilig…



Rond 8.45 u vertrek ik onder een stralende zon, meteen flink klimmend langs een stenig pad tussen de garrigue. Daarna gaat het vooral tussen wijngaarden naar het dorpje La Boissière. Even verder kom ik in een ruigere omgeving: bos en rotsen tegen de helling, rode aarde langs de weg. Het pad volgt hier gedeeltelijk het tracé van een oude spoorweg, aangelegd in functie van de bauxietmijnen, geëxploiteerd tot 1965. In the middle of nowhere staat een grote verhuiswagen geparkeerd, met een personenwagen ernaast. Ik word opgeschrikt door twee kwade honden die onverwacht te voorschijn springen, ik grijp in een reflex mijn Dazzer uit mijn broekzak en richt hem op de blaffende beesten: ze trekken zich gelukkig terug, tevens aangespoord door de eigenaar die blijkbaar in de verhuiswagen logeert… Oef, toch even schrikken! Pierre en Cécile komen een honderdtal meter na mij, Cécile ook wat bleekjes rond de neus… Vijf minuten later neem ik een appelpauze en nog even later passeert Robert.





Aniane
 
 


Aniane


De flora is echt mediterraan: ondermeer veel heerlijk ruikende thijm. Tegen 12.00 u arriveer ik in Aniane, een oud dorp met smalle straatjes, boogjes en kapellen. Er zijn ook enkele winkels en restaurants, maar ik beperk mij tot het verorberen van een energiereep en om 12.30 u vertrek ik terug. Na de drukke uitvalsweg loop ik langs kleinere wegen en paden, langzaam klimmend tussen de wijngaarden en olijfboomgaarden, in de richting van het grijze bergmassief waarin Saint-Guilhem-le-Désert ligt.

Vlakbij Saint-Jean-de-Fos, vanuit de verte te zien, bereik ik Le Pont du Diable, aan het begin van de vrij indrukwekkende Gorge de l’Hérault. Zoals bij andere dergelijke bruggen in Frankrijk heeft de duivel zich hier naar beneden gestort na zijn vergeefse pogingen om de bouw van de brug te verhinderen. Hier zou hij dit gedaan hebben nadat hij zijn verzet had gestaakt na de belofte dat hij de ziel zou krijgen van de eerste passant over de brug… maar dit was een hond!


Le Pont du Diable

Met deze geschiedenis in gedachten wandel ik over een meer recente brug en vat de weg aan langs de gorge. Er is slechts een smalle strook naast de baan en de wind waait hard: niet zo aangenaam stappen, maar het uitzicht maakt veel goed. Na een tweetal kilometer kan ik een smal paadje nemen dat iets lager tussen de bomen en struiken is aangelegd. Ik passeer nog langs een overblijfsel van een watermolen met bijhorende toren, destijds toebehorend aan de abdij van Gellone (Guilhem, Guillaume, Willem...).  Deze laatste werd opgericht in 804 door ene Willem van Oranje, graaf van Aquitaine en neef van Karel de Grote. En even later, om 14.45 u, kom ik aan in Saint-Guilhem-le-Désert.
 



Het historisch stadje is grotendeels autovrij (parkings aan de rand). Ik vind de Gîte de la Tour in de hoofdstraat (rue du Portal), in één van de oude huizen, met ingang via een zijsteegje en een trap. Aan de ingang ligt een bordje met de namen van de personen die gereserveerd hebben en het kamernummer; ik blijk de eerste gast te zijn en kies mijn bed. Alles oogt vrij netjes, maar de raad van Cathy indachtig spuit ik een dosis Clako op de matras… Dan ga ik het stadje verkennen en ik ontmoet Pierre en Cécile die net aankomen. Ik breng een bezoek aan de stemmige kerk en het aangrenzende klooster; in de kloostergang word ik verrast door de dubbele raamopeningen met het pilaartje in het midden, zo typisch voor de Arabische architectuur, ondermeer in Andalusië. Dezelfde ramen zijn ook te zien in verschillende oude huizen op het plein voor de kerk; ik neem de tijd om deze uitgebreid te bestuderen onder het genot van een blonde Leffe op één van de terrassen. Ondertussen is de zon echter verdwenen achter de wolken en de sterke wind heeft de gevoelstemperatuur sterk doen dalen. Dus ik beslis al snel om terug naar de gîte te gaan en daar mijn dagboek verder bij te werken.



 
Klooster van Saint-Guilhem



Raam in de kloosterommegang
 

In de gîte maak ik kennis met mijn kamergenoten die ondertussen zijn aangekomen: een koppel uit Luik die hier een tocht van een tiental dagen afsluiten en Isabelle uit Le Mans die een stuk GR 74 heeft gewandeld en morgen overstapt op de GR 653. Voor het avondeten wordt ook nog een groep van 13 personen uit Marseille verwacht die hier dagtochten in de omgeving zullen doen. De uitbaatster maakt zich zorgen omdat de groep om 19.00 u nog altijd niet is aangekomen terwijl zij volop bezig is met het avondmaal klaar te maken. Rond 19.30 u komt de groep eindelijk aan. Reden van hun laattijdigheid: er is ingebroken in een drietal auto’s van de groep op een parking en alle tassen zijn gestolen. Drie personen van wie ondermeer medicatie is gestolen zijn dan maar naar huis teruggekeerd…

Ik eet samen met Isabelle, de Belgen zijn naar een restaurant gegaan. Later sluit ik de avond met nog een lange babbel en enkele glazen wijn met de Belgen.

Prijs halfpension: 36 euro.

Zaterdag 25 mei: Saint-Guilhem-le-Désert – Saint-Jean-de-la-Blaquière (25 km)  

Vertrek om 8.15 u. Onmiddellijk buiten het stadje, via de rue du Bout du Monde, volgt een behoorlijk steile klim naar het rotsmassief dat de omgeving domineert: ongeveer 400 meter langs een smal stenig pad. Er staat een sterke koude wind die het klimmen nog bemoeilijkt; gelukkig is er af en toe beschutting van de struiken langs het pad. De uitzichten op de steile falaise en de holten in de rotswand zijn indrukwekkend, evenals het uitzicht over het lager gelegen gebied, met af en toe een glimp van de Hérault.





Na het hoogste punt (tussen 500 en 550 meter) volgt een zeer geleidelijke afdaling tussen lage dennen en garrigue, steeds met weids uitzicht, maar ook met de harde koude wind. Het GR-pad wijkt nog even af van de brede piste om over het heuveltje Pioch Canis te klimmen; dankzij de middelhoge begroeiïng vind ik hier even beschutting voor de sterke wind. Ik neem een pauze met een stevige rotsblok als zitplaats, omringd door allerlei geurige planten, vooral tijm. Plots komen Pierre en Cécile opduiken en wanneer ik vertrek komt ook Robert eraan: hij heeft onderweg natuurlijk heel veel foto’s genomen. Hij rust nu even en ik vervolg mijn weg.
 




In de afdaling naar Le Barry passeer ik langs de ruïnes van Castellas, een versterkte burcht (castrum) uit de tiende eeuw; in feite leefde hier een hele dorpsgemeenschap binnen de beveiligde muren. In het dorpje Le Barry ontmoet ik terug Pierre en Cécile en we wandelen samen verder tot Arboras, tussen de wijngaarden en over een eeuwenoude brug.
Castellas


Castellas



Le Barry



Arboras: brug over de Rouvignous (1731)


Wegwijzer op de brug...


In Arboras wil ik even rusten en ik drink een artisanale limonade, met een zoet Oosters gebakje, in een hippie-achtig cafeetje waar ook allerlei kunstvoorwerpen worden verkocht; de kinderen van het dorp hebben er ook een hele rommelmarkt georganiseerd, maar ik kan echt niets extra meer meenemen in mijn rugzak! Terwijl ik nog op het terrasje zit komen Pierre en Cécile terug. Blijkbaar is het tracé van de GR gewijzigd, maar zij vinden de bewegwijzering niet terug. Na rondvraag in de buurt en ampel overleg besluiten zij en ik om samen verder te stappen langs de oude route die niet meer bewegwijzerd is, maar op de kaart goed te volgen is. Ondertussen komt ook Robert aan, maar hij wil eerst even rusten en zal straks beslissen welke weg hij neemt.

Pierre, Cécile en ik gaan dus op stap langs de oude route; deze is blijkbaar gewijzigd wegens klachten van een eigenaar ergens onderweg. Gelukkig ontmoeten we deze (blijkbaar nogal agressieve) eigenaar niet en we vinden vlotjes de weg; de rood-witte bewegwijzering is wel zeer konsekwent uitgeveegd, enkel hier en daar bespeuren we nog een lichte rood-witte streep. Het begint ook even te regenen, maar het feit dat we onze jas aantrekken volstaat om het tien minuten later te doen ophouden.

Omstreeks 16.30 u bereiken we Saint-Jean-de-la-Blaquière: een stil dorp met één snackbar “La Petite Fringale”, een bakker én een gîte communal; daarnaast is er ook een chambre d’hôtes waar ondermeer Isabelle en Robert hebben gereserveerd. Onze eerste halte is La Petite Fringale waar we een Leffe van het vat drinken en alvast een plaats reserveren om te eten om 19.00 u, want vanaf 20.00 u is alles volzet!
Saint-Jean-de-la-Blaquière

We installeren ons in de gîte communal waar we ook nog Dominique ontmoeten, een Bordelais die nu in Fréjus woont, na als leraar Engels in verschillende Afrikaanse landen te hebben gewerkt. We gaan samen eten en na een gezellige babbel kruipen we rond 21.30 u onder de wol in de gîte.

Prijs overnachting: 10 euro.

Zondag 26 mei: Saint-Jean-de-la-Blaquière – Lodève (13 km)

De bakker is reeds vanaf 6.30 u open, ik ga vers brood en croissants halen en ik kan er ook een paar appels, salami en yoghurt kopen. In de gîte wordt koffie gezet (dankzij een mysterieuze voorraad die meestal beschikbaar is in dergelijke gelegenheden), dus alles is aanwezig voor een goed ontbijt!

Ik vertrek rond 9.15 u en ontmoet nog Isabelle die, evenals Robert, heeft gelogeerd “Chez Charlotte”. Het is zonnig weer. Het pad gaat op en neer, ik steek twee beekjes over en wandel tussen wijngaarden en bosjes. Verder klim ik naar Usclas-du-Bosc waar zich op het kerkhof enkele (kopieën van) grafstenen uit de vijftiende eeuw bevinden; de originelen staan in het museum van Lodève. Daarna gaat het pad, onder een stralende zon, verder omhoog en ik kom tenslotte in een mooi dennenbos. Ik bereik de Prieuré de Grandmont, hier gebouwd in de twaalfde eeuw door een strenge kloosterorde, eveneens hier opgericht. Op deze plaats bevonden zich verschillende dolmen waarvan er ook nu nog een aantal te zien zijn in het park. Ik breng een kort bezoek aan het stemmige, eenvoudige klooster, net als Isabelle, Dominique en Robert.
Usclas-du-Bosc: grafstenen


Usclas-du-Bosc: grafsteen


Prieuré de Grandmont: even verpozen...


Prieuré de Grandmont





Daarna volgt nog een tocht van ruim twee uur door bosjes en langs weiden, dikwijls met wijde uitzichten over de omgeving. Omstreeks 14.30 u kom ik aan in Lodève. Vroeger was het stadje belangrijk omwille van zijn textielindustrie, meer bepaald tapijtweverijen, een annex van de Manufacture Nationale du Tapis. Maar momenteel, zeker op zondagnamiddag, lijkt het eerder ingeslapen. Ik wandel tot aan het park (in feite een groot plein met veel bomen) waar een petanquewedstrijd bezig is, onder eerder matige publieke belangstelling. Ik ga dan maar een pintje drinken op het enige terras in de onmiddellijke omgeving dat hoort bij het stamcafé van de petanqueclub “Les Boules Sauvages”. Maar erg wild gaat het er daar niet aan toe: enkel een aantal bejaarden op zondagswandeling drinken braafjes hun drankje en bespreken de gang van zaken in de buurt.


Lodève: tornooi van "Les Boules Sauvages"


Rond 16.00 u ga ik naar de gîte La Mégisserie, gevestigd in een imposant gebouw langs de rivier aan de rand van het stadscentrum. Ik bel aan, maar er wordt niet gereageerd, dus telefoneer ik naar de verschillende nummers die aan de deur geafficheerd zijn. Tenslotte word ik teruggebeld door de verantwoordelijke die zegt dat er iemand de deur zal komen openen. Een paar minuten later gaat de deur inderdaad open… en staat Dominique voor mij: hij is blijkbaar binnengelaten door de verantwoordelijke die voor de rest van de avond weg moest… Nadat ik mij heb geïnstalleerd blijken ook Isabelle, Pierre en Cécile aan de poort te staan, druk telefonerend… We laten hen binnen en iedereen vindt zijn plek. Ik deel een vierpersoonskamer met Dominique en Isabelle en we beschikken over een eigen ruime badkamer, perfect ingericht, duidelijk nog niet lang geleden.


Een vooravond in de tuin van La Mégisserie




’s Avonds ga ik samen met Pierre en Cécile eten, maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Op zondagavond zijn ongeveer alle restaurants (en er zijn er echt niet veel) gesloten. We belanden uiteindelijk in een Logis-hotel waar het restaurant enkel open is voor de hotelgasten, maar na wat aandringen kunnen we er toch terecht en genieten we van een voortreffelijk menu van 20 euro. En rond 22.00 u kruipt iedereen onder de wol: het was vandaag toch ook weer een stevige trip, ondermeer dankzij de warmte.

Overnachting en ontbijt: 24 euro.

Maandag 27 mei: Lodève – Lunas (27 km)

Bij het ontbijt in de ruime, mooi ingerichte eetzaal/keuken ontmoeten we eindelijk de verantwoordelijke van de gîte in levende lijve. Hij is éducateur spécialisé en neemt als vrijwilliger, naast zijn job, de permanentie voor de gîte voor zijn rekening.

Na het ontbijt gaat iedereen op stap. Isabelle keert een stuk terug en wandelt nog twee dagen op de GR 7, de anderen vervolgen hun weg op de GR 653. Vanuit Lodève ga ik een eindje langs de rivier, voorbij de middeleeuwse brug, om dan geleidelijk te klimmen langs mooie bospaden. Het gaat gestaag omhoog, van 160 meter (Lodève) naar 685 meter. Na de bospaden volgen brede pistes met weids uitzicht over de omgeving (ondermeer Lac du Salagou, gelegen op de Hérault). En daarna gaat het geleidelijk terug omlaag, een eindje langs geasfalteerde wegen, maar daarna opnieuw langs brede pistes door het bos, meestal met uitzicht over de diepe valleien. Het is mogelijk om vanuit Bernaguès een kortere weg te nemen naar Lunas, maar ik houd het bij de GR via Joncels: een omweg, maar zeker de moeite waard.




Lodève: le pont romain

 
 



Onderweg probeer ik nog te telefoneren naar L’Auberge Gourmande in Lunas om mijn overnachting te regelen; gisteren zondag kwam ik telkens op het antwoordapparaat terecht. Ik krijg nu wel de patron aan de lijn, maar hij zegt dat het hotelletje op maandag gesloten is. Wanneer ik hem zeg dat ik weet er mensen gereserveerd hebben (Pierre en Cécile) verbreekt hij zondermeer de verbinding: niet echt sympathiek en klantvriendelijk! Ik bel dan naar Le Manoir de Gravezon waar ik ook te horen krijg dat maandag sluitingsdag is, maar dat er vanaf 18.00 u wel iemand zal aanwezig zijn en dat ik er kan eten en slapen: duidelijk een andere aanpak! Ik beschik slechts over twee adressen in Lunas, dus indien dit niet lukte moest ik in Joncels overnachten hetgeen de etappe van morgen dan weer extra lang zou gemaakt hebben.

In Joncels ontmoet ik Dominique die daar zal blijven. We babbelen wat, gezeten op een bankje bij de robuuste kerk. Deze hoorde indertijd bij een klooster, maar tijdens de Franse Revolutie is dit gesloten en zijn de gebouwen verkocht. Nu rest nog een mooi deel van de kloostergang, maar de vroegere kloostertuin is gewoon een openbaar plein geworden: mooi, maar met wat restauratiewerk zou het gewoon prachtig zijn. Het hele dorp ademt trouwens nog de sfeer van weleer, met verschillende smalle straatjes en boogjes, maar het geheel ziet er jammer genoeg wat uitgeleefd en armoedig uit.
Joncels


Joncels


Joncels: overblijfsel van vroegere kloostertuin

Daarna vervolg ik mijn weg naar Lunas langs een mooi bospad dat geleidelijk afdaalt. Een uur later, omstreeks 16.30 u, kom ik aan in het iets grotere en “actievere” dorp. Op het enige caféterras dat open is tref ik Pierre, Cécile en Robert. Zij zijn ook net aangekomen, maar zij hebben wel een kortere weg genomen. We vertellen onze wedervaren en hebben veel plezier. De vorige avond, in Lodève, had Pierre me verteld dat ze in de Camargue geen “flamants roses” (roze flamingo’s) hadden gezien en ik had gezegd (voor de grap) dat ik daarbij moest denken aan Vlaamse homo’s; dit verhaal zorgde gisteren voor grote hilariteit en wanneer ook Robert het nu hoort krijgt hij de slappe lach. Zelden heb ik zoveel succes gehad met een grapje… Overigens oogst ik veel bewondering voor mijn wandelprestaties (tijd en afstand), nog maar eens met de zwaarste rugzak van het gezelschap (“car tous mes péchés sont dedans”).
Effect van een Belgische grap... of van Belgisch bier?

Mijn tochtgenoten gaan naar L’Auberge Gourmande, ik naar Le Manoir de Gravezon; daar word ik vriendelijk ontvangen en ik krijg een mooie kamer toegewezen, met alles erop en eraan. En tenslotte geniet ik van een lekkere maaltijd, samen met een aantal andere hotelgasten.

Prijs halfpension: 58 euro.

Dinsdag 28 mei: Lunas – Mècle (26 km)

Ik vertrek om 8.40 u vanuit het hotel. Het is nog mooi weer, maar er is regen voorspeld. Aangezien de épicerie pas om 9.00 u opent besluit ik mijn (beperkte) inkopen te doen in het eerstvolgende dorp Saint-Martin-d’Orb. De bewegwijzering verschilt van de beschrijving in de topogids; ik volg de gemarkeerde route langs de asfaltweg tot Saint-Martin, langs de andere kant van de rivier; de afstand is vrijwel dezelfde.

De winkel waar ik naartoe wil blijkt in het aangrenzend dorp Le Bousquet-d’Orb te liggen, ongeveer 1 kilometer van het pad, en ik besluit uiteindelijk om geen inkopen te doen. Ik heb nog een appel en een sinaasappel, alsook de nodige graanrepen: ça suffit!
Saint-Martin-d'Orb
Ik vat de beklimming aan naar Col des Clares, ongeveer 400 meter hoger. De steile klim gaat langs een kronkelend pad door het bos. Plots ontmoet ik Dominique die mij tegemoet komt, tot zijn én mijn verbazing: hij kan nauwelijks geloven dat ik pas een half uur tevoren uit het laatste dorpje (La Séguinerie) ben vertrokken. Hij heeft op een bepaald ogenblik de rood-witte bewegwijzering uit het oog verloren en hij heeft dan maar de blauwe tekens gevolgd… tot hij opnieuw rood-wit heeft ontdekt, maar daar blijkbaar de verkeerde richting heeft gekozen. Uiteindelijk maakt hij rechtsomkeer en al snel neemt hij een flinke voorsprong op mij, maar ik doe geen moeite om hem te volgen.

Na het smalle bospad volgt een traject langs brede pistes, met weidse uitzichten over de beboste hellingen. Aan Col des Clares kruisen verschillende boswegen mekaar en ik neem een korte pauze aan een picknicktafel onder de imposante eiken en beuken. Maar dan begint het zachtjes te regenen, zoals voorspeld. Ik blijf nog even in de beschutting van de bomen, maar uiteindelijk moet ik vertrekken. De wind neemt toe, ik pak me goed in en stap aan een hoog tempo door. Het gaat terug in stijgende lijn, ik moet nog ongeveer 500 meter klimmen, tot voorbij de Col de Servies. Het lijkt misschien contradictorisch, maar dankzij het gure weer vorder ik snel. Uiteraard ben ik echter blij  wanneer ik ongeveer twee uur later de afdaling kan aanvatten. En gelukkig houdt het eindelijk op met regenen.




Goed ingepakt...



Het laatste stuk richting Mècle gaat langs een smal steenpad en de steile afdaling vergt de nodige concentratie. Rond 16.00 u kom ik aan in het kleine dorpje. De gîte “Les Amoureux du Chemin” is gevestigd in twee gerenoveerde huisjes. De deur is open, een bordje nodigt me uit om binnen te komen en mij te installeren… wat ik met genoegen doe. Het doet deugd droge kleren te kunnen aantrekken in het stemmige huisje waar men reeds een elektrisch kacheltje heeft aangestoken. Ik ga me aanmelden bij Nathalie in het huisje naast de gîte en word vriendelijk rondgeleid. In het huis tegenover dat waar ik logeer is een ruime zit- en eetkamer met keuken en boven zijn er nog twee slaapkamers. Ik kan me bedienen van frisdrank, bier, koffie, thee… Vandaag ben ik de enige gast. En om 19.15 u brengt Michel mijn eenvoudig, maar lekker avondmaal! Daarna wacht ik niet lang om in mijn bedje te kruipen…


Gîte "Les Amoureux du Chemin"
 Prijs halfpension: 28 euro

Woensdag 29 mei: Mècle – Les Clèdes (20,5 km)  
Kerkje van Mècle

Om 7.30 u staat het ontbijt klaar in de eetkamer (ik moet enkel de koffiezet aanzetten). Daarna het gewone ritueel: inpakken en op stap! Ik neem nog enkele foto’s in het charmante dorpje waar ik verder geen mens ontmoet. De weg gaat nu vooral in dalende lijn naar Saint-Gervais-sur-Mare, ondermeer langs de ruïnes van een kasteel. Zoals voor veel van de dorpen hier in de streek is de realiteit qua bevolking en voorzieningen veel beperkter dan wat je verwacht. Hier gaat het om enkele straten, maar toch een apotheek, een tweetal bakkers en een tweetal kruideniers. Vroeger was het allicht drukker: de huizen zijn er nog, maar de inwoners niet (meer).  Steeds weer een slaperige, doodse indruk. Misschien is er in het zomerseizoen meer drukte, want er is bijvoorbeeld wel een Office du Tourisme. En men is bezig een mooi plein aan te leggen boven een soort kade langs de rivier: dergelijke  investering loont wellicht voor de gezelligheid tijdens de zomer. En ik zie toch ook een pizzeria…
 


Saint-Gervais-sur-Mare

Ik koop wat fruit en geniet van mijn pauze op een muurtje aan een (niet spuitende) fontein. Daarna ga ik verder, langs een bospad, parallel aan de rivier, naar Castelnet-le-Haut. Dit dorp is veel kleiner en nog meer ingeslapen. Wanneer ik op het punt sta te vertrekken begint het opnieuw te regenen, dus neem ik een nog iets langere pauze in de beschutting van de openbare wasplaats. Even later kan ik droog vertrekken en vrij snel is het weer klimmen: ik moet van ongeveer 430 meter naar 889 meter klimmen tot Col de Ginestet. Grotendeels door het bos, soms langs een smal paadje, dan weer langs brede pistes. Binnen de voorziene tijd, rond 15.00 u bereik ik de col. Het heeft niet echt meer geregend, maar er staat een koude wind.
Col de Ginestet





Na een korte pauze stap ik verder, even weg van de GR, naar de gîte Les Clèdes, 1,5 kilometer langs een asfaltweg. De gîte blijkt een afgelegen huis in het bos te zijn. De patron komt aangereden met zijn quad en twee honden; hij stelt zich voor als “Christian, le pénible” en leidt me binnen. Zonder iets te vragen schenkt hij twee glazen rosé uit en we klinken op de gezondheid. Hij woont hier alleen en vertelt meteen een stuk van zijn leven. Hij was vroeger podiumartiest en werkte in diverse cabarets en theaters, vooral als goochelaar. Maar hij heeft dat leven dertig jaar geleden stopgezet “omdat de schijf vol was”. Aanvankelijk woonde hij hier met zijn moeder die acht jaar geleden gestorven is in tragische omstandigheden: ze had Alzheimer en ging geregeld rondzwerven. Op een dag was ze verdwenen en pas veertig dagen later werd haar lichaam teruggevonden in een ravijn…
  
Gîte "Les Clèdes"



Christian "le pénible"

Even later komen nog twee Franse randonneurs binnen en onder het drinken van nog enkele glazen vertelt Christian verder. Tenslotte toont hij ons de slaapruimtes en we installeren ons. Het hele huis ziet er niet echt proper uit, maar het is een gezellige plek voor trekkers die geen te hoge eisen stellen aan comfort. Preventieve maatregelen tegen bedwantsen zijn hier niet aan de orde, in tegenstelling tot de meeste andere gîtes. Ik hoop dat ik geen beestjes meeneem en leg toch maar zo weinig mogelijk kleren op mijn bed…

Rond 19.00 u stelt Christian voor om een aperitief te drinken: hij schakelt over op Pastis, maar ik houd het bij nog een glas rosé… Tegen de verwachting in is ondertussen de tafel netjes gedekt, met papieren tafellaken en servetjes, en is Christian ijverig bezig in de keuken, de onafscheidelijke sigaret in de mond. Het indrukwekkende haardvuur verspreidt een gezellige warmte. Rond 20.30 u kunnen we eten: verse soep, zelfbereide paté en saucisson, worst met boontjes, kaas en zelfgebakken gâteau au Pastis; het brood is eveneens zelfgebakken (met broodmachine). Tussendoor en daarna vertelt Christian honderduit en demonstreert hij ook enkele goocheltrucs. Bovendien zijn in het huis enkele curiositeiten te vinden:

·        een trapeze voor vliegen… die zich op die manier kunnen amuseren en de gasten niet lastig vallen…

·        een kartonnen doos naast het haardvuur waar Christian een koppeltje “blaireaux” (dassen)  kweekt… die blijken scheerborstels (Frans woord afgeleid van het dassenhaar waaruit ze oorspronkelijk werden gemaakt) te zijn.

Rond 23.00 u besluiten we toch maar te gaan slapen, na deze boeiende avond…
Prijs halfpension (dranken inbegrepen…) 38 euro

Donderdag 30 mei: Les Clèdes – Murat-sur-Vèbre (ongeveer 15 km)  

Vandaag staat slechts een korte etappe op het programma. Volgens Christian zal de weg zelfs nog een paar kilometer korter zijn dan voorzien, want het traject is gewijzigd omwille van de aanleg van een groot windmolenpark (52 molens) in de buurt van Ginestet. Op een bordje aan de col staat inderdaad slechts 11 kilometer aangegeven tot Murat, terwijl het volgens de topogids 18,5 kilometer zou zijn.
Ik stap eerst langs verharde wegen, maar na het dorp Ginestet schakel ik terug over op bospaden die af en toe steil klimmen en dalen. Het is moeilijk om in te schatten hoe het nieuwe pad precies loopt op de kaart die hiervoor niet voldoende gedetailleerd is, maar de bewegwijzering volstaat. Het eerste herkenningspunt is Les Senausses, een gehucht tussen de weiden. Het landschap is veranderd: na de vele bossen van de voorbije dagen zijn hier meer weiden en boerderijen te zien. Ik zie vooral koeien, maar er zijn ook schapen- en geitenboerderijen (zo blijkt uit enkele reclamebordjes). Het gebied ligt hier trouwens aan de rand van de appellation contrôlée van de Roquefortkaas, zodat de melk hiervoor kan worden gebruikt.


Les Senausses


 


Rond 12.30 u kom ik reeds aan in Murat-sur-Vèbre, eens te meer een naar onze maatstaven onooglijk dorp. Om de tijd te vullen besluit ik – uitzonderlijk – een echt middagmaal te nuttigen: een dagschotel in het lokale café-restaurant-clublokaal (rugby). Wanneer ik ongeveer klaar ben komen ook Pierre en Cécile binnen en kunnen we dus nog wat babbelen. Zij gaan naar een chambre-d’hôtes in het nabijgelegen Félines, ik naar “L’Etape des Menhirs”, vlakbij de kerk, gevestigd in een voormalig kloostergebouw. Deze gîte-chambres-d’hôtes is zeer verzorgd: Isabelle en Jean-Luc zorgen voor een aangename ontvangst en eten samen met de gasten. Vanavond zijn dit: Odile en Claude (Mont-de-Marsan), Robert en ik. De gesprekken aan tafel gaan ondermeer over de betekenis van de Sint-Jacobspelgrimage, religie in het algemeen en de meer toeristische aspecten van de randonnées. Alweer een gevulde avond!

 


L'Etape des Menhirs


Kostprijs halfpension: 32 euro.

Vrijdag 31 mei: Murat-sur-Vèbre – La Salvetat-sur-Agout (22 km)

Na een lekker uitgebreid ontbijt vertrek ik rond 9.15 u in een wat mistige sfeer, maar zonder regen. Vanaf de gîte is er een kort verbindingspad naar de GR.
Uitgewuifd door Isabelle en Jean-Luc...
Ook Robert vertrekt...
De oude wegwijzers


Na een 8-tal kilometer langs weiden gaat het pad terug het bos in en wandel ik, lichtjes stijgend en dalend, langs de oever van het meer van Lauzas, tot Villelongue. In het bos zijn heel wat oude bomen te zien. Villelongue is andermaal een ingeslapen dorp, wellicht met een aantal vakantiewoningen. Daarna gaat het terug meer bergop, van ongeveer 800 meter naar 970 meter, tenslotte in dalende lijn naar La Salvetat-sur-Agout. De laatste paar kilometer wandel ik samen met Pierre en Cécile.

 


Lac de Lauzas

Aloude schuilplaats (met gerenoveerd dak)

Villelongue

 
Het stadje, bekend om zijn mineraal water, bestaat uit een laaggelegen en een hooggelegen deel. De Office du Tourisme, de gîte communal en de kerk bevinden zich in het hogergelegen, oude deel. Dit oude centrum ademt nog de sfeer van enkele eeuwen terug, met zijn oude huizen, smalle straatjes en trappen. De gîte communal is in één van die oude huizen gevestigd en omvat slechts 7 plaatsen, verdeeld over 3 kamers. Vanavond worden die ingenomen door Pierre en Cécile, ikzelf, Didier en Roseline (een koppel uit de Charente) en tenslotte een Duitser en een Amerikaan die per fiets onderweg zijn. De accommodatie is eerder precair, de prijs is navenant: 10 euro voor overnachting.

Gîte communal in La Salvetat
’s Avonds ga ik samen met Pierre en Cécile eten in “Les Consuls”, een voortreffelijk restaurant met een menu voor 15 euro: lekker… en een gezellig gesprek. De uitbaters zijn hier pas neergestreken na tientallen jaren een restaurant te hebben uitgebaat in Montpellier, vlakbij het Palais de Justice. Ze hadden genoeg van het grootstedelijk gedoe met alle problemen van dien (vandalisme…). Mevrouw (la patronne) had willen emigreren naar Santa Cruz in Bolivia, maar mijnheer wou liever in Frankrijk blijven… 



Zaterdag 1 juni: La Salvetat-sur-Agout – Anglès (20,5 km)  

Gisteravond had ik in de boulangerie een bordje gezien “fermée les jours de pluie”, maar deze morgen is hij gelukkig open. Ik ga croissants halen en deel die met Pierre en Cécile en Didier en Roseline, zij zorgen voor koffie.
Het weer is bewolkt, ik verlaat het stadje langs smalle straatjes en trappen, om tenslotte de grote brug over te steken. Na een eindje stappen langs de baan, met zicht op rivier en stad, neem ik een zijweg en passeer ik langs de auberge de la Resse. Later verneem ik dat Robert, Claude en Odile hier hebben gelogeerd en dat deze auberge wordt uitgebaat door een Vlaamse mevrouw; jammer dat ik dit niet op voorhand wist! Even voorbij de Pont de la Lune ontmoet ik Robert, Pierre en Cécile, Didier en Roseline, bij een mooie menhir: fotoshoot!




 

Fotoshoot bij de menhir

Na enkele uren wandelen door bosrijk gebied kom ik rond 13.30 u aan in Anglès. Op het plein voor de mairie, op het enige terras, zitten enkele in middeleeuwse kledij verklede ridders te picknicken terwijl hun paarden even verderop staan te rusten. Ik gun mezelf uiteraard ook een pintje en even later komen Pierre en Cécile ook aan. Zij hebben gereserveerd in de gîte communal (zeer beperkt aantal plaatsen), ik in La Guariguette, eveneens in het centrum van het dorp waar ook Robert, Paul uit La Rochelle, en Claude en Odile blijken te logeren. Het is een eerder koude avond, dus we blijven binnen, en na een lekkere maaltijd kruipen we in bed.






Gîte "La Guariguette"
Prijs halfpension: 35 euro.

Zondag 2 juni: Anglès – Le Sabatarié (25,8 km)
Het weer is mistig. Ik neem voorlopig afscheid van Robert, Pierre en Cécile, want vandaag zullen onze wegen zich scheiden: ik zal nabij Le Rialet de afslag nemen op de GR 36, richting Albi, terwijl de anderen verder de GR 653 zullen volgen.
Een mistige zondagmorgen in Anglès






Nabij Le Rialet staan duidelijke GR-wegwijzers, maar toch loopt het verkeerd: na wat zoeken, samen met Claude en Odile die het ook niet weten en uiteindelijk in een andere richting vertrekken, vind ik een pad met de vertrouwde GR-tekens… te vertrouwd blijkbaar, want een kwartiertje later sta ik opnieuw bij het kruispunt met de “duidelijke” GR-wegwijzers…  Ik vraag nog de weg aan een groep passerende quads, stap verder… en ontmoet terug Pierre en Cécile, Didier en Roseline die ook volop de kaart bestuderen… Tenslotte denken we opnieuw de juiste weg te hebben gevonden (met GR-tekens) tot we Robert in tegengestelde richting ontmoeten… Merde! Maar uiteindelijk vinden we het pad dat gewoonweg is verdwenen door het nogal drastisch omzagen van een dennenbos waarbij ook de bewegwijzering niet gespaard is gebleven… We ploeteren door de modder, ontvangen nog een sms-bericht van Robert die ondertussen al een eindje verder is, en arriveren tenslotte op het echte kruispunt van de GR 653 en de GR 36 voor het ultieme afscheid…




Het ultieme afscheid...

Ik stap verder langs een breed bospad naar Cambounès. Daar ontmoet ik nog een Ierse vrouw die hier sinds een vijftal jaren woont en zegt dat het landschap hier vergelijkbaar is met sommige streken in Ierland. Zij is ook actief in de organisatie die de GR-paden bewegwijzert en ik vertel haar over mijn probleem van enkele uren geleden. Ze verklaart de situatie door de aan gang zijnde boswerkzaamheden…
Na nog een stevige klim kom ik rond 16.00 u aan bij de ferme équestre Le Sabatarié, bij Magaly en Pascal. Ik neem een lekkere douche, kan mijn kleren wassen en te drogen hangen bij het lekkere haardvuur in het prachtige huis. Ondertussen zie ik hoe Magaly een groepje ruiters les geeft en vertrekt voor een tochtje. Pascal komt me nog gezelschap houden en vertelt dat het nabijgelegen Castres gisteravond nationaal kampioen rugby is geworden, hetgeen uiteraard met enige feestelijkheden is gepaard gegaan wat dan weer zijn enigszins belabberde toestand verklaart…

Rijles in Le Sabatarié

Gezellige woonkamer...
Ik sluit de avond af met een gezellig en lekker avondmaal, samen met Pascal en Magaly. En bovendien krijg ik nog het nodige advies voor mijn volgende overnachtingen, met concrete telefonische reservering. Merci!

Prijs halfpension: 36 euro

Maandag 3 juni: Le Sabatarié – Granquié (24,7 km)

Afscheid van Le Sabatarié

Na een eenvoudig Frans ontbijt vertrek ik om 8.30 u. Er hangen nog wat wolken, maar stilaan komt de zon erdoor. Ik wandel eerst langs de asfaltweg, daarna langs een bospad, steeds in stijgende lijn: van 509 meter naar 646 meter (Vilavert). Daarna gaat het even langs een weg met alleenstaande woningen tot het dorpje Gabaude. Via een mooi bospad, langs het landgoed Varayre, kom ik aan het Lac du Merle: een stukje natuur waar het nu nog rustig is, maar gelet op de picknickplaats wellicht druk bezocht op zomerse dagen. Na een paar honderd meter langs de baan te hebben gestapt neem ik terug een pad door het mooie oude loofbos en bereik ik het gehucht Crémaussel waar blijkbaar een mooie chambres-d’hôtes is gevestigd.
Varayre



Lac du Merle

 
Ik heb de laatste kilometers reeds een aantal grote granietblokken in het bos opgemerkt. Maar hier even verder liggen de grootste exemplaren alsof ze door een reus willekeurig zijn rondgestrooid. Ze hebben ook vreemde vormen die hen namen heeft bezorgd als roc de l’oie, les trois fromages, le châpeau du curé… Ze vormen blijkbaar een gekende bezienswaardigheid in de regio die anders, behalve het natuurschoon, niet veel te bieden heeft op toeristisch vlak.








Tussen deze rotsen begint ook de steile afdaling in de vallei van de Agout: terug naar een hoogte van ongeveer 250 meter. Ik passeer langs het gehucht Ricard waar een kwade hond me even schrik aanjaagt, maar mijn Dazzer heeft het beoogde effect. Ik passeer ook het gehucht Thouy waar alle huizen blijkbaar omgevormd zijn tot vakantiewoningen (Gîtes de France). Het is hier alleszins zeer rustig, tussen de beboste hellingen en weiden, met hier en daar wat schapen. De weg langs de rivier volgt het tracé van een vroegere spoorweg; als overblijfsel hiervan zie ik ondermeer een tunnel die in de heuvelflank verdwijnt, gebouwd in 1904. En even later kom ik langs het schattige wachthuisje van de Gare de Parayré (1908). En nog even verder stap ik over de oude spoorwegbrug die nog steeds de kloof van de Agout overspant. Zowel de spoorweg zelf als de tunnel en de brug dateren dus uit het begin van de twintigste eeuw toen overal grote infrastructuurwerken werden gerealiseerd, in het zog van de industriële revolutie. Sommige zijn afgebroken, andere zijn nog steeds in gebruik, zij het in gewijzigde vorm.


Vallei van de Agout

Oude spoorwegtunnel

Gare de Parayré (1908)

Oude spoorwegbrug

Na de lange afdaling volgt opnieuw een even lange beklimming: van 280 meter terug naar 610 meter. Een groot deel daarvan gaat opnieuw langs een smal bospaadje waaraan geen einde schijnt te komen. Met reeds meer dan 20 kilometer in de benen is het geen lachertje. Vanaf Blaucau is het ergste leed geleden en rest er vooral nog een tweetal kilometer asfaltweg tussen de  weiden, met indrukwekkende vergezichten. De zon is vandaag eindelijk terug van de partij en dat verandert veel.





Rond 16.00 u bereik ik Granquié, een oude boerderij, bestaande uit enkele afzonderlijke gebouwen, gedeeltelijk omgevormd tot gîte. Een verkwikkende douche, de prachtige vergezichten en een lekker biertje brengen me al snel in een echte vakantiestemming. De weeral nodig gewassen kleren drogen snel dankzij de zon en de wind. Ik ben andermaal de enige gast in de gîte.
 
Gîte de Granquié

Om 19.00 u kan ik aanschuiven voor een lekkere maaltijd en een rustig gesprek met Martine, de vrouw des huizes. Zij is na haar studies teruggekeerd naar dit familiedomein om er schapen te kweken en een eenvoudig plattelandsleven te leiden, samen met haar echtgenoot die buitenshuis ging werken. Tenslotte hebben ze de boerderij gedeeltelijk omgevormd tot gîte en zijn de boerderij-activiteiten overgenomen door een ander koppel; zij leggen zich ondermeer toe op de verkoop van vlees en kaas rechtstreeks aan de verbruiker. In het gesprek met Martine verneem ik ook nog de redenen van het verzet tegen de geplande installatie van een aantal windmolens hier in de omgeving: er zal een heel stuk bos verdwijnen, ondermeer door de aanleg van een weg voor de werken. Ik stel ook vast dat, na een zonnige dag, de avond toch snel fris wordt op deze hoogte: een reden om na nog een wijntje gauw mijn bed op te zoeken…

Dinsdag 4 juni: Granquié – Barrage de Razisse (ongeveer 27 km)

Na het ontbijt vertrek ik om 9.00 u, onder een zonnige hemel, terug naar Blaucau en vandaar verder langs afsfaltwegjes en landwegen, tussen de weiden, met weidse vergezichten. Bij echt helder weer kan men van hieruit de Pyreneeën zien. Ik blijf een hele tijd op het plateau (ongeveer 550 meter), maar tenslotte daal ik af in een rivierbedding tot ongeveer 400 meter… “pour mieux remonter”  naar 550 meter. En daarna gaat het terug bergaf naar 430 meter, nabij de watervallen van Arifat, een bezienswaardigheid die ik toch maar aan mij voorbij laat gaan, gezien de omweg die nodig zou zijn. En uiteraard is het daarna terug klimmen tot 500 meter (Roquegardie). Ondertussen heb ik opgemerkt dat de afstand tussen “croisement de Sales” en Roquegardie geen 6,5 kilometer bedraagt zoals vermeld in de topogids, maar naar schatting op de kaart ongeveer 11 kilometer. Daarna kom ik terug in een meer beboste omgeving en daal ik naar de rivier Dadou op ongeveer 350 meter. De waterstand is hoog en de stroming sterk, uiteraard door de vele regen van de voorbije weken. Langs de rivier klimt het pad geleidelijk naar de stuwdam van Razisse.
 
 



Afdaling in het dal van de Dadou

Vlakbij de stuwdam ligt de gîte “Ferme du Lac” waar ik heb gereserveerd. Rond 16.00 u kan ik mij neervlijen op het terras, met zicht op het meer. De avond is zonnig en na het klassieke douchen en kleren wassen kan ik mijn dagboek bijwerken, in afwachting van het avondmaal. Deze grote boerderij is heringericht als bar-restaurant en gîte, ondermeer voor verblijf van ruiters met paarden. Ze werken veel samen met Le Granquié en La Sabatarié van waaruit Magaly regelmatig meerdaagse ruitertochten organiseert.

La Ferme du Lac

Barrage en Lac de Razisse

Barrage en Lac de Razisse

Om 19.15 u zak ik af naar het terras om misschien een aperitiefje te drinken… Dit wordt me  welwillend aangeboden door de patrons die reeds begonnen zijn, samen met dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen. Ik ben andermaal de enige gast. Het wordt een gezellig en lekker dîner met op het menu:

·        groene asperges, gisteren gekocht op de markt in Perpignan

·        markreelfilets, gemarineerd en gegrilld; de visjes zijn gekocht in de haven van Port Leucate waar de patrons blijkbaar een bootje hebben liggen…

·        uiteraard fromage et dessert

·        vergezeld van een Tautavel en een Corbières

Meer moet dat niet zijn. Halfpension: 45 euro.

Woensdag 5 juni: Barrage de Razisse – Alban (24,5 km)  

Gisteravond heeft madame alle ingrediënten voor het ontbijt, inbegrepen een koffiezetapparaat, in mijn kamer geplaatst zodat ik kan vertrekken wanneer ik wil. Aangezien het mooi weer belooft te  worden zorg ik dat ik tijdig opsta en ik vertrek om 8.30 u. De honden zijn wakker, maar van de patrons nog geen spoor…
Het eerste stukje naar Mont-Roc zorgt onverwacht voor een probleem: de bewegwijzering lijkt dood te lopen in het gazon van een gerenoveerde boerderij. Na wat zoekwerk blijkt het pad gewoon door te lopen, de eigenaar heeft het pad gewoon ingelijfd bij zijn gazon… Daarna gaat het verder tussen bosjes en weiden, via Mont-Roc (de naam verraadt de ligging), meer en meer tussen weiden en velden, met weidse vergezichten. Dankzij het mooie weer zijn de boeren eindelijk kunnen beginnen werken: overal wordt gras gemaaid, hooi gekeerd en rijden tractoren over en weer. Ik ontmoet drie wandelaars, wonend in Albi, die een dagwandeling doen op de GR 36. Het zijn de eerste wandelaars die ik op dit traject ontmoet. Het pad is blijkbaar weinig bekend en er zijn weinig overnachtingsmogelijkheden… een vicieuze cirkel. En bovendien ontmoet ik in de dorpen en gehuchten doorgaans meer honden dan mensen, hoewel ik de laatsten meestal toch vriendelijker vind.

Mont-Roc



Het is al tegen de middag wanneer ik in Rayssac arriveer, na amper 8 kilometer te hebben gestapt. Er waren natuurlijk wel enkele venijnige klimmetjes, maar wellicht begint de warmte, waaraan ik niet gewend ben, mij parten te spelen. Ik voel dat ik op de tanden zal moeten bijten om in Alban te geraken. Ik moet een eindje langs de weg lopen in volle zon, daarna volgt een afdaling in het bos tot aan een meertje (Septvals), maar daarna gaat het uiteraard terug ongeveer 200 meter in stijgende lijn naar het kruispunt Saint-Projet (toepasselijke naam wanneer je ambitie hebt). In de verte zie ik het dorpje Paulinet liggen, op ongeveer dezelfde hoogte als de plaats waar ik me bevind; er loopt een asfaltweg naartoe. Het GR-pad maakt een omweg, daalt ongeveer 100 meter om dan terug te klimmen: de keuze is snel gemaakt en via de asfaltweg sta ik een kwartier later in het dorp met zijn grote kaasboerderij.
Even rusten bij Saint-Projet...

Daarna daal ik langs mooie brede bospaden in een vallei, waar ik opnieuw op een asfaltweg kom. En ook hier sta ik voor een keuze: via het GR-pad klimmen naar Notre-Dame-d’Ortiguet en dan terug dalen, of langs de baan in geleidelijke klim stappen en uiteindelijk op hetzelfde punt arriveren. Ook hier kies ik voor de gemakkelijkste weg en een half uurtje later groet ik het Mariabeeld op het punt waar het GR-pad opnieuw op de baan komt. Ik bevind me op een plateau op ongeveer 600 meter, tussen weiden, op een vijftal kilometer van Alban. Het GR-pad daalt terug af in een vallei (200 meter lager) om dan opnieuw te klimmen naar het dorp op het plateau. De verkeersweg overbrugt ongeveer dezelfde afstand via het plateau… Nu besluit ik toch het moeilijker GR-pad te nemen. Even verder praat ik met een oude man wiens huis ik passeer. Wanneer ik hem zeg dat de andere weg misschien gemakkelijker is haalt hij de schouders op en antwoordt dat het GR-pad een weg voor voetgangers is: alles is relatief, het is een mooi pad, maar op het einde van deze warme dag wegen de laatste loodjes wel zwaar. Rond 17.00 u kom ik eindelijk aan in het dorp, toch nog binnen de tijdslimiet, maar een frisse pint en een douche zijn hoognodig!



Bij gebrek aan andere overnachtingsmogelijkheden heb ik gereserveerd in Hôtel du Bon Accueil, een Logis-hotel, hetgeen altijd een voortreffelijke maaltijd garandeert… en zo geschiedt.

Gezien mijn ervaring van vandaag en de zonnige weersvooruitzichten moet ik een belangrijke keuze maken voor de laatste dagen van mijn tocht: ofwel een etappe van 29 kilometer en daarna één van 27 kilometer tot Albi (Saint-Juéry), ofwel twee kortere etappes van 13 kilometer tot Villeneuve en 16 kilometer tot Ambialet, om dan de afstand naar Albi te overbruggen met autobus (waarover ik nog geen informatie heb) of op een andere manier (taxi of autostop); tussen Ambialet en Saint-Juéry zijn er geen overnachtingsmogelijkheden. Ik kies voor de meest realistische manier en reserveer een slaapplaats voor morgen in Villeneuve; daarna zien we wel!
Kostprijs kamer: 55 euro.

Donderdag 6 juni: Alban – Villeneuve-sur-Tarn (13 km)

Om 8.30 u vertrek ik, reeds onder een stralende zon. Vandaag daal ik vanaf het plateau van Alban (ruim 600 meter) naar de vallei van de Tarn op ongeveer 200 meter. Maar dit belet niet dat het pad regelmatig klimt en daalt. Het pad loopt hoofdzakelijk door het bos, meestal in de vallei die in de voormiddag volledig in de schaduw ligt. Enkel het laatste stuk loopt over het plateau, met mooie vergezichten. Ik passeer opnieuw kleine gehuchten, met hier en daar huizen te koop en andermaal zie ik meer honden dan mensen.


 
 

Menselijke geschiedenis...
 

 
















Ik stap goed door en rond 11.30 u kom ik aan in Villeneuve-sur-Tarn. De belangrijkste gebouwen daar blijken de kerk, de mairie en het hotel “Les Lauriers” (opnieuw Logis) waar ik heb gereserveerd. Normaal is het restaurant ’s middags nog gesloten, maar de patron bereidt me een voortreffelijke salade met charcuterie, vergezeld van koolzaadolie uit de streek en een honingazijn met salie, eveneens een plaatselijk product. Uiteraard geniet ik hiervan op het terras met zicht op de Tarn.

Villeneuve-sur-Tarn



Rouge-blanc-bleu à Villeneuve-sur-Tarn



Les Lauriers

Na een kleine siësta maak ik nog een wandeling naar de overkant van de rivier, naar het dorpje Trébas waar het belangrijkste gebouwencomplex een bejaardentehuis is. Gelukkig is er ook een café met terrasje. Ik heb ondertussen ook een gesprek gehad met de hotelbaas over mijn verdere plannen. Openbaar vervoer is er niet in de streek, maar blijkbaar zou het geen probleem zijn om morgen te liften van Ambialet naar Albi. Bovendien moet hijzelf morgennamiddag naar Albi, dus misschien valt er nog iets te regelen… On en parlera demain matin, au petit-déjeuner!

Vrijdag 7 juni: Villeneuve-sur-Tarn – Ambialet-Saint-Cirgue (16 km)

Ik sta op om 7.00 u, maak mijn rugzak klaar en om 7.30 u zit ik aan het ontbijt. Ik spreek af met de patron dat ik probeer om tegen 13.30 u op de parking langs de weg in Ambialet te staan waar hij zal passeren. Indien ik er niet tijdig zou geraken zal ik wel liften hetgeen normaal geen probleem vormt: de lokale bevolking weet dat er geen openbaar vervoer is…
Om 8.15 u vertrek ik en vat ik meteen de klim aan naar Saint-André, ongeveer 200 meter hoger, waar ik om 9.00 u aankom, dankzij mijn ondertussen ingeoefende “pas du montagnard”: il suffit de mettre un pied devant l’autre, et puis de recommencer. Het belooft terug een mooie dag te worden: de zon geeft al snel behoorlijk warmte.
Terugblik op Villeneuve-sur-Tarn

Saint-André

Na Saint-André klim ik nog een beetje verder tussen de weiden, passeer het gehucht “Les Grens” (!) en daal dan 250 meter door het bos naar Bonneval, een vergeten dorp met kerk en kerkhof, bij een riviertje. En dan gaat het uiteraard terug omhoog, nog even omlaag en dan terug omhoog naar 470 meter, steeds langs een smal paadje door het bos, tenslotte tussen de weiden op het plateau. Ik geniet van het wijde uitzicht in alle richtingen en stel vast dat ik mij op een hoger punt bevind dan de tien windmolens die ik sinds gisteren geregeld heb gezien. Ik kijk uit over de diep ingesneden vallei van de Tarn die ik hier en daar even kan zien. Bij de boerderijen waar ik passeer word ik andermaal verwelkomd door honden en mijn Dazzer blijkt geen overbodige luxe.

Bonneval

 
Vallei van de Tarn
Tenslotte daal ik opnieuw langs smalle bospaadjes, ongeveer 250 meter, naar Ambialet waar ik aankom om 12.30 u. Dit dorpje is letterlijk gelegen op een rots waar de Tarn noodgedwongen in een meander omheen stroomt. Hogerop, boven de vallei, ligt Saint-Cirgue. Ik vind de parking, bedoeld door de hotelbaas van Villeneuve en als bij wonder is daar vlakbij een café-restaurant met terras: de ideale plek om mijn tocht af te sluiten!

Ambialet


Saint-Cirgue

Een terras in Ambialet...

... en een parking

Een uur later word ik opgepikt door mijn chauffeur. De weg in de vallei langs deze kant van de rivier (D472) loopt hier en daar door smalle tunnels: deze zijn in het begin van de twintigste eeuw gebouwd voor een spoorweg… maar omwille van de Eerste Wereldoorlog is deze spoorweg nooit aangelegd; men heeft de tunnels wel bewaard, maar ze zijn enkel toegankelijk voor personenwagens. Even na 14.00 u sta ik in Albi waar ik me geleidelijk omvorm tot toerist…

Albi
Het oude stadscentrum is historisch zeer interessant en dan ook zeer toeristisch. Het wordt gedomineerd door de Cité Episcopale met de kathedraal Sainte-Cécile, het aartsbisschoppelijk paleis Berbie en, minder imposant, de kerk Saint-Salvi. Het centrum omvat smalle straatjes met karakteristieke oude huizen, allemaal in rode baksteen, net als de kathedraal en het Palais de la Berbie.

De kathedraal en het paleis zijn in de 13°-14° eeuw gebouwd als het ware als symbool van de overwinning van de officiële katholieke Kerk op het Katharisme. De zware burchtachtige constructie geeft meer een militaire dan een religieuze of spirituele indruk. De godsdienstige overwinning van de Roomse Kerk op het Katharisme ging immers ook gepaard met een politiek-militaire overwinning van de Franse koning op de lokale adel. De macht van de bisschop en de Franse Kroon werden gesymboliseerd in het imposante gebouwencomplex dat vanaf 1282 werd opgetrokken.
Het Palais de la Berbie herbergt momenteel ook het Musée Toulouse-Lautrec. En dat is natuurlijk nog een ander verhaal: het gaat hier om een mooie integratie van een rijke kunstcollectie in een historisch gebouw.


Pont Vieux en kathedraal
 
Cathédrale Sainte-Cécile
Palais de la Berbie


Nabeschouwingen
De Via Tolosana (GR 653) is duidelijk minder bewandeld dan bijvoorbeeld de Via Podiensis (vanuit Le Puy-en-Velay), zeker in dit seizoen (eind mei, begin juni). Ik schat gemiddeld een tiental pelgrims per dag te hebben gezien. Het “pelgrims”-aspect (religieuze inspiratie) is ook iets minder aanwezig, maar de sfeer van samenhorigheid en vertrouwen is er duidelijk wel.

In dit seizoen zijn de overnachtingsmogelijkheden voldoende, hoewel er niet echt een overschot is. De gîtes communaux zijn klein (maximum een tiental plaatsen) en eerder primitief. Daarnaast zijn er een aantal chambres-d’hôtes die comfortabel zijn en redelijk van prijs (gemiddeld 35 euro voor halfpension). De bevoorradingsmogelijkheden zijn eerder schaars (niet elke dagetappe beschikbaar), maar in de chambres-d’hôtes kan men ook altijd wel fruit of een sandwich kopen voor onderweg. Bij warm weer moet men zeker de nodige hoeveelheid water (twee liter) meenemen, want ook dat is niet overal beschikbaar.
De laatste jaren is er een nogal paniekerige sfeer rond de “punaises de lit” (bedwantsen) die zich overal in gîtes en herbergen zouden genesteld hebben, dankzij het drukke rugzakverkeer. In veel slaapgelegenheden moet de rugzak buiten de slaapruimte blijven of wordt hij in een plastiekzak met bestrijdingsmiddel gestopt. Elders mag je enkel binnen wanneer je een spuitbus “Klacko” bij hebt (en gebruikt). Paniek is niet nodig, maar voorzichtigheid is wellicht geboden: let op jeukende insectenbeten na een nachtje slapen, een dokter raadplegen is blijkbaar aangewezen. In de gîtes zijn gewoonlijk dekens aanwezig, soms worden ook wegwerp-matrasovertrekken verstrekt. Maar, zeker gezien het bovenstaande, moet je zeker een lakenzak (“sac à viande”) meenemen, eventueel een lichte slaapzak.

De moeilijkheidsgraad is niet hoog, maar op bepaalde trajecten is de accumulatie van klimmen en dalen niet te onderschatten: soms 600-700 meter klimmen per dag, in combinatie met een afstand van 20-25 kilometer.
De GR 36 is op dit traject nog minder bewandeld. Gedurende zes dagen heb ik geen enkele trekker ontmoet, enkel een paar lokale dagwandelaars. Dit heeft wellicht te maken met de beperkte overnachtingsmogelijkheden (vicieuze cirkel!): men is aangewezen op eenvoudige chambres-d’hôtes, enkele gîtes die eerder afgestemd zijn op groepsverblijven of hotelletjes, maar veel keuze is er echt niet. In de vallei van de Tarn zijn er wel enkele campings, maar die zijn meestal pas open vanaf half juni. Ook de bevoorradingsmogelijkheden zijn vrijwel onbestaande, tenzij men afwijkt van het GR-tracé.

De moeilijkheidsgraad is ook hier niet hoog, maar de niveauverschillen (herhaaldelijk klimmen en dalen), in combinatie met de afstanden zijn niet te onderschatten.
Het geheel van het afgelegde traject is de moeite waard. De variatie in landschappen, de overgang van mediterraan naar bosrijk gebied en landbouwstreek is interessant; de volle natuur is steeds aanwezig. De cultuur en de geschiedenis zijn tastbaar in de vele oude kerkjes, boerderijen, muurtjes in het bos en ontelbare kruisbeelden die ook als wegwijzer bedoeld waren.

 

Praktische informatie
Ik heb de volgende GR-topogidsen gebruikt:

·        GR 653: Sentier vers Saint-Jacques-de-Compostelle via Arles: Arles-Toulouse (ref. 6533)
 
·        GR 36: Traversées du Tarn (ref. 810): hierin zijn delen van verschillende GR-paden opgenomen, ondermeer het afgelegde stuk van de GR 36. De beschrijving volgt wel de richting noord-zuid terwijl ik het traject in omgekeerde richting heb gedaan; de kaartjes en de bewegwijzering op het terrein zijn echter voldoende duidelijk.
Voor de heenreis heb ik de rechtstreekse TGV genomen van Brussel naar Montpellier; deze rijdt verder richting Marseille.
Voor de terugreis heb ik eveneens de trein genomen:
·        Albi – Toulouse
·        Toulouse – Paris Austerlitz
·        metro naar Gare du Nord: het is aangeraden om zeker een uur marge te nemen (trein kan vertraging hebben…)  
·        Paris Nord – Brussel

Geen opmerkingen: